Opdracht: wat maakt jouw identiteit?

Alles wat theater is - Oostpool & Sonnevanck - foto Juliette de Groot

Na afloop van de voorstelling

Wij raden je aan om na de voorstelling en het nagesprek een verdiepingsopdracht te doen met je leerlingen. Hierdoor gaan ze actief aan de slag met de thematieken uit de voorstelling en maken ze een persoonlijke verbinding.

In deze opdracht gaan je leerlingen hun eigen identiteit onderzoeken.

1. Laat je leerlingen op een papier het woord ‘identiteit’ schrijven en daaromheen woorden die zij vinden passen bij ‘identiteit’. Uit welke aspecten bestaat een mens eigenlijk? Denk bijvoorbeeld aan: geboortestad, gender, huidskleur, hobby, dromen. Geef ze drie minuten de tijd.

2. Laat je leerlingen een rangorde maken van de woorden die ze hebben opgeschreven. Laat ze nadenken over welke woorden zij het belangrijkst vinden binnen een identiteit van een mens. De leerlingen schrijven een top vijf op. Bijvoorbeeld: 1 geloof, 2 familie, 3 sport, 4 roots, 5 taal… Geef ze drie minuten de tijd.

3. Laat enkele leerlingen hun top 5 oplezen. Bespreek de vorige opdracht na.
• Zijn er grote verschillen of overeenkomsten?
• Heb je woorden gehoord die je wil toevoegen aan jouw rangorde?

4. Laat je leerlingen een persoonlijke rangorde maken. Laat ze nadenken over welke woorden zij het belangrijkst vinden binnen hun eigen identiteit. De leerlingen schrijven een top 5 op. Bijvoorbeeld: 1: vrouw, 2: voetbal, 3: mijn moeder, 4: profvoetballer worden, 5: Moslim. Geef ze drie minuten de tijd.

5. Stimuleer de leerlingen om creatief te denken. Laat ze ook nadenken over welke dromen, angsten, wensen, liefdes, gedachten en gevoelens ze hebben. Ook deze kunnen onderdeel zijn van je identiteit. Laat ze het zo kort mogelijk vatten, het liefst in één woord.

6. Laat enkele leerlingen hun top 5 oplezen. Bespreek de vorige opdracht na.
• Heb je het idee dat anderen jou zien zoals jij jezelf ziet (je top 5)?
• Werd je verrast door een woord van iemand? Wil diegene dit woord toelichten?

Terug